• Bakkenes
    Genealogie en meer over deze Nederlandse familienaam
  • Dirk van Bakenes
    schilderij dat in 1593, twee eeuwen na zijn overlijden (!) van hem gemaakt werd
  • Hofje
    Gevelsteen Bakkenesser hofje te Haarlem
  • Documenten
    Vele vaak zeer oude documenten zijn onderzocht!

Bakkenes

  1. Dirck van Bakenesse

    Hij zit er warmpjes bij op het schilderij dat in 1593, twee eeuwen na zijn overlijden (!) van hem gemaakt werd, en dat nu in slechte staat bewaard wordt in het Frans Halsmuseum.

    Dirk werd geboren ca. 1330 als enige zoon van de welgestelde familie van Bakenesse, die op haar beurt verwant was aan het oude aanzienlijke geslacht Persijn.

    Het schilderij is ooit gemaakt voor de regentenkamer van ‘Het Hofje De Bakenesser kamer’, het oudste hofje in Nederland, en heeft daar tot 1889 gehangen.

    Er is over zowel Dirk als over zijn nu ruim 600 jaar oude hofje al veel geschreven. Dirk van Bakenesse behoorde destijds tot een der voornaamste families van Haarlem. In 1383 was hij schepen en werd op 24 oktober van dat jaar als ‘Raad van Haarlem’ afgevaardigd naar Leiden inzake een rechtsgeschil. De functie van Raad stond gelijk aan die van burgemeester. Hij bekleedde nog meer belangrijke functies. (Ik verwijs hierbij graag naar het interessante boekje dat Peter E. Hammann over het Hofje schreef en dat in 1997 werd uitgegeven bij ‘De Vrieseborch’ te Haarlem.)

    De aandoenlijke oude wijsheid die spreekt uit de tekst op het schilderij, en die blijkbaar wordt toegedacht aan Dirk, is vol van melancholie en oprechte bijbelse bescheidenheid en realiteitszin zoals toen gebruikelijk was. De tekst staat wel in een schrille tegenstelling tot het ‘hebben is hebben en krijgen is de kunst’ zoals dat in onze dagen wordt gepredikt.

    Hieronder de tekst in hedendaags schrift weergegeven: 

    Ic wil leve en ick moet sterve

    Wat ic heb moet ic derve

    Wil moet ic over gheve

    doe ic wel soe mach ic leven

    Huden (heden) te leven – morgen doet (dood)

    Hebt dat voor oghen – dat is wijsheit groet (groot)

    Een praktisch advies bij het memento mori dat nog steeds op alle menselijk handelen van toepassing is (of zou moeten zijn?).

    Er heerst rust, stilte en oud Hollandse ingetogenheid binnen het hofje waar de eeuwen lijken te hebben stilgestaan, en waar sinds het ontstaan enkele honderden bewoonsters (weduwen) hun laatste jaren hebben gesleten.

    Sluit even uw ogen en zie ze gaan, proper gekleed, over de schoon geschrobde stoepjes of zittend en glurend achter de ramen van hun ‘cameren’. Ze hebben al hun wel en wee achter zich gelaten, evenals de stichter van dit woonoord: Dirc van Bakenesse, de weldoener.

    Portret Dirk van Bakenes

     

  2. Stadsdeel Haarlem

    Het oude Haarlemse stadsdeel Bakenes was ooit het belangrijkste leengoed van Simon Persijn, die in de tweede helft van de dertiende eeuw beleend werd met ‘Bakenes’ waarna hij zich ‘Simon van Bakenesse’ ging noemen. Bakenes was toen hoogstwaarschijnlijk al een onder die naam bekend staande nederzetting die later in de tijd, na de grote stadsbranden in 1355, bij de stad Haarlem getrokken werd.

    Aanvankelijk een drassige ‘nes’ of  ‘nesse’ waarop nederzettingen van vissers en vervolgens voorzien van een strekte, een ‘Vroonhof en ook of tevens een Comptoir van waaruit tol werd geheven. Later in de tijd een vrijwel zelfstandige gemeenschap van vissers, boeren, kooplieden en ambachtelijke bedrijvigheid.

    Bakenes is geografisch bezien een landtong (schiereiland) ten zuidoosten van het latere (?) Haarlem vrijwel omsloten door een kronkel in het Spaarne. 

    De rivier bracht bedrijvigheid en economische welvaart en daarvan profiteerde ook Bakenes als een van de oudste stadsdelen van Haarlem. Volgens enkele historici waaronder – niet de minste – Johan Huizinga zou op Bakenes het grafelijk hof hebben gestaan waar langsvarende schepen tol moesten betalen. Of dat werkelijk op Bakenes heeft gestaan is niet geheel zeker maar ongeveer ter plaatse bevond zich in elk geval de zetel van de graaf van Holland. 

    Hier een kaartfragment van Bakenes (omcirkeld) ten tijde van het Spaanse beleg.

    Tal van monumenten herinneren aan vroegere tijden en dat maakt Bakenes en omgeving cultuurhistorisch tot een waardevol en interessant stadsdeel.

    Wie nu langs de oude Bakenessergracht wandelt moge bedenken hoeveel historie er binnen dit gebied op tal van plaatsen schuilgaat: de Bakenesserkerk is de oudste kerk van Haarlem, de poort tot het oudste hofje van Nederland ligt aan de Bakenessergracht, en veel monumentale panden op Bakenes vertellen voor wie geïnteresseerd is hun eigen geschiedenis waarover nog veel bekend is.

    Er is over Bakenes al veel gepubliceerd en het is voor bewoners van dit stadsdeel maar ook voor derden de moeite waard daar kennis van te nemen!

    Wim Bakkenes 

    zie ook  bij Google  onder de noemer Bakenes. Of de sites van .Vrienden van de Bakenes’

     

    Kaart-Haarlem-belegering

  3. Geslacht Persijn

    Wanneer je maar in het goede nest geboren wordt, is het leven meestentijds wel dragelijk en meer dan dat. Van ‘goede’ familie zijn heeft zo zijn voordelen en dat was zeker het geval in de Middeleeuwen.

    Wist de ‘gewone man’ veel – hij diende het leven te aanvaarden zoals het klaarblijkelijk was. Er waren nu eenmaal heren en knechten.

    Tot de ‘heren’ behoorde het oude aanzienlijke geslacht Persijn, Heren van Waterland. Zij zetelden in Het Huis te Velzen en dat hadden zij in leen van de graaf van Holland. En ze bezaten meerdere goederen en vooral: ze hadden privileges, ze hadden macht.

    Maar ook toen fulmineerden de minder bedeelden al en kwamen in opstand zoals in 1275 toen de Kennemers uit boosheid (en afgunst?) vele adellijke kastelen verwoestten. Daar is natuurlijk veel meer over te vertellen. Het begin van de grotere wapenfeiten uit de sociale geschiedenis van Holland! (Hierover is meer te lezen in onze studie over het ontstaan, de genealogie en de verspreiding van deze Nederlandse familienaam. Daarin is de vrijwel complete genealogie van de Persijns en de Van Bakenessen beschreven, inclusief tal van bijzonderheden.)

    Simon Persijn ging zich ‘Van Bakenes’ noemen nadat hij het goed Bakenes bij Haarlem van zijn broer Jan in leen had gekregen, al zijn de bewijzen hiervoor niet aanwezig. En ook zijn nakomelingen met als eerste diens zoon Jacob bleven zich Van Bakenes noemen. Jacob van Bakenes(se) (niets veranderlijker dan de geschreven taal) was opgenomen in de ‘ridderstand’. Hij wordt vermeld onder de schildknapen van de graaf van Holland, Willem III de Goede.

    En wie eenmaal hoog te paard zit, dient ervoor te zorgen dat hij in het zadel blijft! De nakomelingen van Jacob bleven belangrijke maatschappelijke posities bekleden – ook in Haarlem.

    Ze werden ‘schepenen’ en behoorden tot de patriciërs, de dunne bovenlaag die het in Haarlem enige tijd voor het zeggen had. Bekend als schepenen zijn: Claes van Bakenesse in 1348, 1358 en 1365 en Jacob van Bakenesse in 1352 tot en met 1354.

    Later in de tijd woonden zij waarschijnlijk niet meer op Bakenes, maar ten noorden van het Grote Kerkhof in Haarlem waaronder de Begijnestraat. 

    En ‘sic transit gloria mundi’, delen van de geslachten van Bakenes stierven uit bij gebrek aan mannelijke nakomelingen al bleef de familienaam gehandhaafd, soms door nakomelingen van gehuwde dochters (Van) Bakenes die de familienaam bleven voeren. Een kwestie van ‘status’ zouden we nu zeggen.

    Anderen, zoals de familie Geldzack voegden, terecht of onterecht, de naam ‘Van Bakenes’ aan hun eigen naam toe. Op een pilaar in de Sint Bavo is nog een wapenbord te vinden van het geslacht ‘Geltsak de Bakkenes’.

    Ongeveer 300 jaar waren er mensen die aantoonbaar in rechte lijn afstamden van Simon van Bakenes. Zij hebben, zij het mondjesmaat, hun sporen vooral in het Haarlemse nagelaten.

    Maar de voortzetting van de naam, in een soms aan de tijd aangepaste schrijfwijze zoals (Van) Baeckenes, Backenesse, Bakkenes, et cetera bleef tot op heden gehandhaafd.

     

    Wim Bakkenes

    Vergelijking wapen Persijn-Van Bakenes

     

  4. De Roos van Dekama

    MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

    De Roos van Dekama.

    TWEEDE HOOFDSTUK.

    Het was in den voormiddag van een der dagen, die dien aanvang der plechtige feesten voorafgingen, dat een hoopje burgers en boeren zich op een plein naast den Hout, ongeveer te dier plaatse gelegen, waar thans het Hazepaterveld gevonden wordt, verzameld had om een stellage van war een kwakzalver of goochelaar (want beide deze verhevene hoedanigheden waren in zijn persoon vereenigd) hun belangstelling wekte door het ten toonstellen zijner zonderlinge apotheek, of hun verwondering ten top voerde door zijn onbegripelijke kunstverrichtingen en behendige streken. Het uiterlijke van dit doorluchtig personage was aan de rol, die hij bekleedde, volkomen geëvenredigd. Zijn hoofd was met een zwarten doek omwonden, die onder de kin was vastgestrikt en bovendien met een kroon van verguld papier versierd. Zijn insgelijks zwarte tabbaard van saai, met getande roode zoomen en wijde mouwen, welke hem bij zijn kunstgrepen te stade kwamen was met goudpapieren sterren bezaaid en reikte tot aan de voeten, terwijl zij, van voren open zijnde het roode onderkleed liet zien, dat om zijn middel gesloten was door een breeden gordel, waarop de dierenriem was afgebeeld. Om de borst prijkte een vierdubbele, zoo ’t heette, vergulde keten, waaraan een peervormig gesteente hing, hetwelk waarschijnlijk tot een talisman moest dienen. Van de eene zijner dorre dunne handen naar de andere vloog gestadig de ivoren tooverstaf heen en weder, welk onmisbaar werktuig ongeveer een elleboog lang, en aan het uiteinde met een gouden handje voorzien was.

    Het gelaat van dezen goochelaar, of, zooals men toen zeide, kokeler, was, evenals zijn geheele persoon, lang en schraal: langs de verbrande wangen hingen pekzwarte haren, die veel op paardemanen geleken, tot op de schouderen af: een enkele vlok vertoonde zich op het bruingerooste voorhoofd, en reikte, in de gedaante van een omgekeerde kegel, tot aan den langen neus, wier kromte een brug scheen, waarover men den stekeligen baard bereikte, die even zwart en lang als het hoofdhaar, tot den gordel nederdaalde. De oogen van dit geheimzinnige personage schenen in zich zelven gekeerd en nimmer te kunnen worden afgetrokken door hetgeen hem omringde, ’t geen het voorrecht verschafte, dat men, bij het staren op zijn kunstverrichtingen, omtrent de weg, dien zijn blikken namen, altijd misleid en door zijn toeren des te eerder verrast was.

    Naast den kokeler stond een kast, of soort van vliegende apotheek, in dien   opzichte van onze hedendaagsche medicijnkasten verschillende, dat zij, behalve een aanzienlijke hoeveelheid fleschjes, potjes en poeder, ook een menigte voorwerpen bevatte, wier nut en strekking zich bij de beschouwing geenszins raden lieten, maar de verklaring van den verkooper noodig hadden. Voor hem was een tafeltje geplaatst, waarop al hetgeen te dier tijd het vereischte eener goocheltasch uitmaakte, ten toon was gesteld.

    Deze merkwaardige duivelskunstenaar, gelijk hem de boeren noemden, bewaarde gewoonlijk een volstrekt stilzwijgen, ’t zij dat hij de Hollandsche, of, als men toen zeide, de Duitsche taal niet genoegzaam machtig was om zich te doen verstaan, ’t zij dat hij vreesde zijner achtbaarheid te kort te zullen doen, indien hij zich vernederde om tot gewone menschen het woord te voeren. Hij liet deze taak over aan zijn metgezel of hansworst, die aan zijn radde tong evenveel beweging, als zijn meester rust aan de zijne gaf.

    Deze ambtgenoot of medehelper van den kokeler was, gelijk al de narren vanouds, in een veelkleurig gewaad uitgedost, prijkende hij met een half rood, half geel buis met groene hozen: een houten sabel of brits, die door zijn lederen gordel gestoken was, duidde zijn hoedanigheid aan, zoowel als de bellen, die aan zijn zotskap en gewaad klingelden. Een roode, naar boven gekrulde neus, die een niet geringe verknochtheid aan het druivenat kenteekende, levendige grijze oogen en  een dubbele rij hagelwitte tanden, gaven aan zijn gelaat een vroolijke en onbezorgde uitdrukking, dien niet weinig werd verhoogd door de wijnmoer en het meel, waarmede het voorhoofd en de wangen bestreken waren. Op zijn schouder zet een aap, verscheidene der omstanders ergerende door zijn kleeding, die uit een pelgrimsmantel en hoed met schelpen bestond.

    De taak van dezen alwillens dwaas, of nar, was gelijk men lichtelijk begrijpt, om de toekijkers oplettend te maken op de wonderen, die zijn meester òf reeds gewrocht had, òf ten gerieve der vrome burgerij van Haarlem en der geëerde inwoner van het graafschap nog wel zou willen daarstellen: op de merkwaardige genezingen, door den grooten man uitgewerkt of nog uit te werken, en op ongehoorde en schier ongelooflijke kunstverrichtingen, die hij met een alles te boven gaande gemakkelijkheid uitvoerde. Nu eens breidde hij al de verdiensten des kwakzalvers uit een lang en bloemrijk verhaal, hetwelk hij met vaardigheid doch tevens met gepasten nadruk, waar die behoorde, in vrij verstaanbaar Hollandsch, ofschoon met een eenigzins hoogen tongval, opsneed; dan weer zette hij nog meer kracht en levendigheid aan zijn voorstelling bij door het aanwenden van een plotselinge toespraak, tot dezen of genen der omstanders meer onmiddellijk en daardoor een sterkere, dikwijls onwederstaanbare uitwerking hebbende. Een staaltje zijner welsprekendheid zal hier niet ongepast schijnen, te meer daar het aanleiding geven zal om met sommige personen onzer geschiedenis als van zelf in kennis te geraken.

    „Ja vrome burgers en landlieden!” zeide hij: „hoe zal ik u opsommen en verhalen al de groote en ongelooflijke kuren, die mijn meester Barbanera of „met den zwarten baard,” bijgenaamd l’Incomparabile, ’t welk in ’t Italiaansch zooveel wil beduiden als „de onvergelijkelijke,” al heeft teweeggebracht door zijne kunst. Een wijs man zoude daarmede zeven jaren kunnen zoek brengen: hoe zoudt gij dan van eenen armen nar als mij vergen, dat hij het in een uurtje vertelde. En wat behoef ik u ook veel te vertellen? Is het u niet genoeg, den man slechts aan te zien, om van zijn kunde en bedrevenheid overtuigd te wezen? Maar wat denkt gij, dat gij hem ziet? Een man van vijftig, zestig jaren? ganschelijk niet. Tweehonderd  en tien jaren is hij oud: en zoo zijn haar nog niet grijs is, het is alleen door het vermogen van zijn kunst. Acht gij misschien dat ik u knapuiltjes vertel, burgers en landlieden? koopt het elixer longae vitae en de kraaienmergzalf, en gij zult er u zelf bij uw eigen ondervinding van kunnen overtuigen.” (Hier haalde de kwakzalver een fleschje en een potje uit zijn voorraad voor den dag, en toonde die met uitgestrekte armen aan de schare) „Gij! vrome pater!” vervolgde de zot, zich tot een Karmelieter monnik wendende, die hem van midden uit den volkshoop met een verachtelijken blik aanstaarde, „gij hebt nog niet verder kunnen brengen dan het ambt van spijsbezorger in uw konvent waar te nemen: koop het elixer, dat het leven rekt, en gij zult alle uwe oudere broeders overleven, en eenmaal tot Proost, tot Abt, ja tot Bisschop verkozen worden: ja zelfs zoude een Kardinaalshoed niet kwalijk passen op uw eerwaardig aangezicht. De heilige Aartsbisschop van Kantelbergh zou zooverre niet gekomen zijn zonder ’t secours van dat middel, maar ware een arme Benediktijner gestorven, – koop het elixer, eerwaarde pater! en gij zult oud genoeg worden om al de schatten dezer aarde tot u te zien toestroomen.”

    „Wij hebben gelofte van armoede gedaan,” zeide de pater: „en begeeren de schatten niet, die uwe duivelskunstenarijen verschaffen.”

    „Zeg wat gij wilt, vrome man!” hernam de hansworst: „maar gij zult aan deze goede burgers en landlui niet doen gelooven, dat gij niet liever als een rijke Bisschop uw vazallen, dan als een arme monnik het gevogelte zoudt plukken voor ’s Graven tafel”

    Hier ontstond een algemeen gelach ten koste van den pater; want het was bekend, dat, in tijden van groote drukten, maaltijden en feesten zooals die, welke thans te Haarlem plaats vonden, het plukken van gevogelte evenals het bereiden van sauzen en specerijen voor ’s Graven tafel aan de kloosters werd opgedragen, die zich dan die taak ter wille van den Landheer en voor een klein drinkgeld moesten getroosten. De monnik voelde den steek en verwijderde zich ook terstond, na een toornigen blik op den gek te hebben geslagen, wien hij in zijn hart besloot deze beschimping betaald te zullen zetten.

    „En gij jonge deerne!” vervolgde de nar, die, zonder zich het gram gelaat des paters aan te trekken, zijn toespraak nu tot een aardig meisje wendde, dat onder de menigte stond, „en gij! wilt gij uwe glimmende zwarte haren behouden? koop de zalf van meester Barbanera, en uw vrijer zal u nooit een grijs haartje verwijten. Maar gij vreest misschien, dat de kleur van uw lieve koontjes met de jaren zal verbleeken en dat uw witte tandjes, die zoo aardig en net als een parelsnoer blinken, wanneer gij lacht evenals nu, eenmaal zoo hot en haar zullen staan als de steenen van het kerkhof der Joden op Bakenes? Neem de reliquie, die mijn meester u toereikt, en die, om uw hals gehangen, u zoo jong en frisch zal doen blijven als gij tegenwoordig zijt. Vrees niets, dat zakje bevat een gedeelte van de asch der heilige Juventa, die op last van den Sultan van Egypte werd verbrand, voor honderd zeven jaren, en waarvan mijn meester een potje vol gegaard heeft, waarvan dit het overschot is; want gij moet weten, dat, al is mijn meester in het vermaarde Keizerrijk van Sina geboren, boven op een porseleinen toren, die tienmaal zoo hoog is als honderd Domtorens van Utrecht op elkaar gezet, hij echter een goed christenmensch is, en omgang heeft gehad met alle vrome kluizenaars in Syriën, Arabië, Indië, Ethiopië en Moorenland. – Kom hier, mijn brave jager! indien uw pijl wel eens mist; ik doe u het onfeilbaar middel aan de hand om alle wild te raken. Deze kleine fiool bevat twee droppelen van het bloed des Heiligen Huybrechts; zoo gij er onder het zeggen van twee aves en drie paters de punt van een nieuwe pijl indoopt, zal u geen haas of reeboek meer kunnen ontgaan.”

    „Ik geloof, dat een goed oog en een vaste hand meer zullen afdoen dan al uwe snuysterijen,” zeide de boschwachter, hem op vrij schamperen toon in de rede vallende: „niettemin, zoo gij met de proef eens wilt laten nemen van dat fleschje, ik heb hier juist een nieuwen pijl: en er vliegen kraaien genoeg door den Hout, om de kracht van uw middel in ’t werk te stellen.”

    De hansworst stond een oogenblik beteuterd van den onvoorzienen voorslag: doch hij herstelde zich terstond.

    „De proef nemen! de proef nemen, met een zo heilige reliquie! Weet gij wel dat dit zooveel als spotternij met  het heilige zou wezen? Neem dit fleschje of neem het niet, tot uw dienst; waar weet, dat het u voor ’t oogenblik toch niet zou baten: het kan alleen dienen voor dezulke, die absolutie hebben bekomen: en wanneer ik de karbonkels aanzie, die uw neus omringen, dan houde ik mij overtuigd, dat er menige pekelzonde bij u huist, waar uw biechtvader nog niet van  vernomen heeft, en dat uw arme vrouw ondervinding genoeg heeft, dat gij goed weet te raken.”

    De omstanders keken lachende den jager aan; te meer daar de nar juist geraden had, en de boswachter niet slechts bekend stond als een liefhebber van den drank, maar ook zijn vrouw meermalen in dronkenschap mishandelde. – Hij vergenoegde zich echter in zijn kodde op een dreigende wijze te schudden en den potsenmaker grimmig aan te zien: toen de kokeler, waarschijnlijk om de toeschouwers den tijd niet te laten van over  het gebeurde na te denken, opeens als in de verrukking oprees, twee vergulde balletjes voor zich op de tafel nederwierp, en die terstond met twee tinnen bekers overdekte.

    „Let op nu, burgers en boeren! let op” riep de hansworst met luider stemme, zoodra hij de beweging van zijn meester gewaarwerd: „nu eerst zult gij de kunst del maëstro incomparabilem in haar vollen luister mogen bewonderen. Ja, niet voor niets is hij aan het hof van Egypte geweest, en heeft hij jarenlang bij den Keizer van Ethiopië gewoond, en al de geheimen der toverkust aan de magi van die landen afgezien. Let op nu! burgers en boeren! wat er gebeuren zal. ”

    Een ieder stond met open mond en gespannen aandacht den tovenaar aan te staren, die de ballen beurtelings van onder de bekers deed verdwijnen, en weer te voorschijn komen, en ettelijke ander kunstverrichtingen deed, welke bij ons verlicht hedendaagsch publiek slechts een medelijdend schouderophalen zouden verwekken, doch in die eeuw met verbazing en opgetogenheid werd aanschouwd.

    „Maar! wat u nog vreemder zal voorkomen dan al hetgeen gij tot nu toe gezien hebt,” hernam de hansworst, na een korte pauze, „is de heerschappij die mijn meester ook over de wildste en ongezeglijkste dieren uitoefent, en het vernuft, dat hij in de redelooze schepselen weet te ontwikkelen. Gij ziet den aap, die op mijn schouder zit, burgers en boeren? welaan! dit dier was woest en ongetemd toen het nog in de bosschen van Indië rondsprong. Eenige weinige lessen van mijn meester hebben hem niet alleen een trap van behendigheid en kunde doen bereiken, welke men zelden bij gewone menschen aantreft, maar hem ook in staat gesteld verborgene zaken uit te vorschen, ja het toekomende te voorspellen. Cezar! groet de eerbiedwaardige vergadering.”

    De aap sprong van zijn schouder, nam den hoed af en boog zich deemoedig.

    „Ga nu aan die waardige lieden vragen, of zij u een kleinigheid willen schenken om met mij op hunne gezondheid te drinken.”

    Cezar liet zich langs een touw van de stelling afglijden en hield den omstanders zijn hoed voor.

    „Een aalmoes voor den armen pelgrim!” riep de hansworst, naarmate Cezar rondging om giften in te zamelen, „hij komt van verre en heeft het noodig: maar pas op, Cezar! en ontvang geen andere munt dan die van het land.”

    „Ga voorbij, onguur beest!” bromde de boschwachter, toen de aap hem den hoed toestak: „indien uw meester zulk een toovenaar is al hij beweert, kan hij zich geld genoeg verschaffen, en behoeft hij het ons niet uit den zak te kloppen.”

    De aap liet driemalen de reeds ontvangen specie in den hoed rammelen, en toen, ziende dat de jager aan zijn verzoek geen gehoor gaf, grijnsde hij hem op een kwaadaardige wijze aan, en vervoegde zich bij meer milddadige toeschouwers.

    Zijn inzameling gedaan hebbende, keerde hij bij zijn oppasser terug, en na eenige sprongen en kunsten verricht te hebben, beantwoordde hij door middel van den hansworst, die hem tot tolk verstrekte, eenige door de omstanders voorgestelde vragen op dezelfde wijze en met  niet minder behendigheid dan de wijd vermaarde en waarschijnlijk van hem afgestamde aap van meester Pieter, wiens bekwaamheid door Cervantes vereeuwigd is.

    Ondertusschen had de beroemde meester Barbanera het niet beneden zijn waardigheid geacht, de ontvangene schatting der nieuwsgierigen na te tellen en te onderzoeken. Bij het verrichten dezer bezigheid had weldra zijn scherpziend oog een koperen geldstuk ontdekt, dat van vreemden oorsprong was, althans niet gangbar op de plaats, waar zij zich thans bevonden. Hij nam het tusschen duim en voorsten vinger, bezag het een wijl met dezelfde aandacht waarmede een oudheidkenner een zeldzamen penning zoude beschouwen, en reikte het vervolgens onder een veelbetekenend hoofdschudden aan zijn medehelpers over.

    „Gij hebt niet opgepast, meester Cezar!” zeide de hansworst tegen den aap, hem het geldstuk met een bestraffende blik voorhoudende: „ik had u immers gelast geen andere dan inlandsche munt op te halen, en gij brengt mij een stuk, dat alleen bij heidenen en Turken gangbaar is. Spoedig! breng het terug en verzoek om een ander.”

    Cezar nam met een deemoedige houding het geldstuk aan, sprong weder naar beneden en ging den volkshoop, die nieuwsgierig het einde van dit tusschenspel stond af te wachten, met

    bedaardheid rond, ieder der omstanders en dan zijn meester beurtelings aanziende, totdat hij eindelijk, hetzij uit eigen beweging, hetzij op een geheim teeken van den hansworst, stand  hield bij een kloek gebouwde kerel, wien hij het muntstuk voorhield.

    „Ei lieve, goede vriend!” zeide de hansworst: „gij ziet, mijn Cezar laat zich niet verschalken. Wees zoo goed, neem uw valsche munt terug, en terug, en geef hem een beter stuk geld voor zijn moeite.”

    De gezel, tot wien hij deze toespraak richtte, was een stevig jonkman van zes voet hoog, grof gespierd en zwaar van leden: doch wiens heldere blauwe oogen goedhartige welwillendheid teekenden. Zijn kleeding, in vele opzichten verschillend van de Hollandsche volksdracht, duidde een vreemdeling aan. Hij droeg een bruinen rok, van voren open, met een bonten rand voorzien, en gesloten door middel van een zwart lederen gordel, met zilver versierd. Op zijn zilverblonde haren prijkte een bonten muts of pet met vooruitstekende klep en zilveren kwastjes, terwijl een scherp mes met een zilveren heft in zijn gordel blonk en hem onderscheidde van de overige omstanders, die van stalen of ijzeren wapenen voorzien waren. Aan zijn arm haakte of hing een klein bevallig meisje, wier hoofdhaar geheel verborgen was onder een bontgeruiten doek, wiens tippen zich om hals en kin vereenigden als de sluier eener Tartaarsche vrouw. Haar gewaad was van een zware wollen stoffage, geel van kleur, met blauwe strepen, en om het midden door een zilveren gordel vastgehecht. Een soort van borstkuras van hetzelfde metaal, op de schouders met haakjes gesloten en in het midden voorzien met een versiersel in den vorm van een omgekeerd schoteltje, gaf aan haren opschik een nog vreemder aanzien. Reeds lang had zij menigen verwonderden blik tot zich getrokken, en door haar zonderlingen tooi den spotlust opgewekt der omstanders, die, gelijk onze natie van oudsher doet en wel altijd doen zal, zich niet konden begrijpen hoe iemand anders kon gekleed gaan, dan op de gewone en bij ons aangenomen wijze. Reeds had men haar verscheidene schimp- en spotwoorden toegevoegd, en haar onder andere boertende gevraagd of zij niet bijgeval een weggeloopen non was, dat men haar hoofdhaar niet bespeurende, en onder welken Ridder zij als wapenknecht diende, dat zij zoo geharnast verscheen van al hetwelk zij noch haar geleider gelukkig veel verstaan hadden.

    Evenmin had deze laatste, zoo ’t scheen, het gebarenspel van den aap, noch de toespraak van diens meester recht begrepen: althans hij draaide het hem gegeven muntstuk herhaalde keeren tusschen de vingers en zag met eenige verlegenheid, nu eens den hansworst, dan weder zijn gezellin, dan de omstanders aan, welke laatsten eindelijk in een schaterend gelach uitberstten, hetgeen zijn verlegenheid nog vergrootte. Het jonge meisje begreep eerder dan hij de oorzaak van deze algemeene vroolijkheid, en, zich op de teene verheffende, fluisterde zij hem eenige woorden in, waarvan ook de naastbijstaanden niets verstonden, vermits zij in een vreemde taal gesproken werden. De jongeling scheen echter over de gegeven opheldering weinig tevreden, althans hij schudde het hoofd, mompelde eenige onverstaanbare woorden, haalde een handvol van dezelfde koperen stukken uit zijn tasch, en, die op de breede linkerhand uitspreidende, scheen hij met de rechterwijsvinger aan te duiden, dat zij alle van gelijk gehalte waren en dat hij dus aan het verzoek van den kunstenaar niet kon voldoen.

    „Kom goede vriend!” zeide de veldwachter, zich met een hoonenden lach bij hem vervoegende: „geef den baviaan zijn zin en schenk hem een stuk van achten: dan zal hij wel te vreden zijn.”

    „’t Zijn al goede muntspeciën in Friesland,” antwoordde de andere, met een sterken Frieschen tongval sprekende.

    „Ja maar, wij zijn hier in Holland,” hernam de jager: „en wij kunnen uwe Friesche stukken niet gebruiken: berg ze maar gerust weg, zoowel als uw Friesch mes, eer de dienaars u bij de kladden krijgen als valschen munter en als breker van ’s Graven vrede.”

    „Valsche munt!” riep de Fries verbolgen uit: „een valschaard die ’t zeit.”

    „Ho! ho!” zeide de jager, spottende: „bak maar spoedig zoete broodjes; gij zijt niet in uw frije Friesland, waar men ongestraft op de Hollanders scheldt. Berg dat mes, of er zullen goede stukken van achten uit uw zak moeten komen.”

    „’t Is zeker,” zeide een klein, in ’t zwart gekleed mannetjes, ’t welk zich den schijn van deftigheid wilde geven en evenals een ekster naar hen toe kwam trippelen, „’t is zeker, dat volgens het Privilege van Koning Willem niemand binnen den banne van Haarlem een mes mag dragen op een boete van tien pond, waarvan de helft aan den ……”

    „Zoudt ge mij mijn mes willen ontnemen?” riep de Fries, het heft met kracht omvattende.

    „Rebellie tegen art. 15 van het Privilege,” kraaide het kleine mannetje, tevens met een ontsteld gelaat achteruitwippende: „al wie het met trekt binnen de stad Haarlem ofte derselver……”

    „Ik weet van geen Privilege,” riep de Fries, zijn mes half uittrekkende: „hier is mij Privilege.”

    „In den stok met hem! – Te water met den muiter – Dienaars hier! – ’s Graven vrede!” riepen terstond een verwarde menigte stemmen, waaronder die van het zwarte ventje zich onderscheiden liet: de zooeven nog rustige en vroolijke kring leverde een tooneel op van onrust en verwarring. De kinderen klommen verschrikt op de stellage en in boomen of hielden zich aan de moeders vast: de vrouwen drongen zich beangst tegen haar mans, broeders of vrijers aan of poogden zich te verwijderen: de mans hielden zich deels bevreesd op een afstand; deels hieven zij hun stokken of vuisten op om den Fries te lijf te gaan en hem zijn mes te ontweldigen.

    Dit was echter geen gemakkelijk werk. Bij de eerste bedreiging had de jongeling zich schrap gesteld, zijn mes met de rechterhand op de hoogte van het aangezicht brengende ten einde allen aanval af te wenden en met de linkerhad het meisje van zich afwerende, dat hem wilde tegenhouden.

    Niemand der omstanders durfde hem van voren braveeren doch sommigen poogden hem van achteren te bespringen en zijn arm te grijpen. Zoodra hij dit bespeurde, draaide hij zich om. Sneller dan de gedachten beschreef zijn arm een halven cirkel en gleed zijn mes in ’t voorbijgaan langs de aangezichten en kleederen zijner bespringers onderweg eenige aan dezen toebehoorende lappen vleesch en laken en een gedeelte des hoeds van het kleine mannetje medenemende. Door deze beweging vond zich de Friesch teffens met den rug tegen het theater des kokelers geplaatst, zoodat hij althans naar zin en elks meening van achteren gedekt stond; doch hij was daardoor ook afgescheiden van zijn gezellin, die in de algemeene verwarring van hem verwijderd werd, zich nu, weerloos klagende, in een bedrukten toestand tusschen vreemdelingen bevond en vergeefs onder angstig gekerm om haren vrien Feiko riep.

    Maar Feiko was niet in staat haar te hulp te komen, daar hij genoeg te doen had om zich tegen de volksmassa te beschermen, die hem nu op alle wijze bestoken kwam. Geen van hen dorst hem van nabij aanvallen, toen op eens de koddebeier, die de eerste aanleiding tot den twist gegeven had, door de omstanders, die hij rechts en links van zich afstootte, heen drong en zich vlak tegenover den Fries plaatste.

    „Hoe!” riep hij, „schaamt gij u niet? honderd tegen eenen en gij zijt den vreemden gauwdief nog niet meester? heeft geen van die lamme poorters een hart in ’t lijf? wacht!  ik zal hem alleen wel krijgen.”

    Onder het uiten dezer woorden had hij zijn kodde opgeheven met oogmerk om den Fries een geweldigen slag op het hoofd toe te brengen; doch Feiko voorkwam het dreigend gevaar door snel het rechterbeen op te lichten en den jager een trap voor de borst te geven, die hem sprakeloos tegen den grond wierp.

    Dan op hetzelfde oogenblik kregen de aanvallers een bondgenoot, dien zij verre waren   van te verwachten. De aap namelijk was bij het ontstaan van den twist weder op het theater gevlucht en van daar beschouwde hij op zijn gemak het gevecht. Toen nu de Fries bij de stellage was komen staan, naderde hem het boosaardige dier, en zoodra Feiko zich na den gegeven trap in postuur stelde, rukte de aap hem vlug de muts van ’t hoofd en bracht die grinnekende aan zijn meester.

    Feiko, niet wetende wie dien onverhoedschen aanval op zijn hoofddeksel deed, keerde zich onthutst om, ten einde zich daartegen te verdedigen; en deze wending was hem noodlottig: tien der naastbijstaanden maakten van dit oogenblik gebruik: hij werd aangegrepen, en eer hij weerstand kon bieden, lag hij met de helft der aanvallers op den grond te worstelen. Het was echter niet dan met moeite dat men hem meester werd, het mes ontweldigde en met een eind touw, hetwelk aan de bagage des kwakzalvers ontnomen werd, vastknevelde.

    „Mijn hemel! Feiko!” riep het arme meisje, dat nu weder door den volksloop naar voren gedrongen was, „waar brengt men u? Ik wil met u gaan wat zullen de Olderman en de Jonker wel zeggen als zij het hooren.”

    „Sytsken! loop naar den Olderman,” brulde Feiko: „en zeg hem hoe die honden met een vrijen Fries handelen.”

    „Wees zoo dwaas niet, zoet zusje!” zeide de koddebeier, die intusschen weer op de been geraakt was, terwijl hij Sytsken bij den arm nam: „laat uw lompen vrijer gerust aan zijn lot: de Schout zal wel weten wat met hem te doen: kom, geef mij een arm: ik zal u brengen waar gij wezen wilt.”

    „Blijf van mij af, schurk!” riep de verschrikte Sytsken, vruchteloos pogende zich van de omarming des jagers los te maken: „ik wil niet met u gaan: ik haat u: gij zijt de oorzaak van alles.”

    „Laat het meiske gaan, vriend Walger!” zeide het zwarte mannetje: „gij hebt geen recht op haar, en volgens art. 17 van het Privilege van Koning Willem is alle maagdenroof strafbaar met…”

    „Moei u met uwe zaken, meester Claes Gerritsz,” duwde hem Walger toe: „ik ben geen poorter van Haarlem en hoest wat in uwe Privileges, Ik ben ’s Graven koddebeier en zal dit zoete kind brengen waar het wezen wil, zonder iets meer dan een kusje voor mijn loon te vragen.”

    En hij wilde zich reeds te voren van dat loon verzekeren, toen Sytsken zich op eens uit zijn armen losrukte en met een kreet van blijdschap naar een jongeling toesnelde, die op eenigen afstand door een der lanen kwam aangesneld.

01nov 2014

OPROEP AAN ALLE huidige generaties BAKKENES  Naamgenoten! Ja, dat zijn we en dat willen we weten ook. Bakkenes is de naam al sinds vele eeuwen. En daar leven er nog een flink aantal van in Nederland en enkelen daarbuiten. Alle families zijn bij ons bekend, dat hebben we uitgezocht en vastgelegd in een dik boek […]